Ik poets ramen als Fritz Wotruba.
Als wie?
Wotruba, je weet wel die Oostenrijkse beeldhouwer die op de Westersingel een werk heeft achtergelaten. Het ziet eruit alsof Zeus zelf er heeft zitten spelen en toen plots weg moest om zich aan belangrijker zaken te wijden.
Daarbij een berg granieten blokken terloops uit zijn handen laten vallend.
Het werk draagt de naam “Moeder en kind”, al moet je op zijn minst een bachelor in de kunstwetenschappen hebben om beeld en titel met elkaar te kunnen rijmen.
Maar daar gaat het niet om.
Ik poets dus ramen als Fritz Wotruba, zoals Canetti hem beschrijft.
Wie Canetti?
Geeft niet, de spellingscontrole heeft ook nooit van hem gehoord.
Hij is ook al dood, net als zijn vriend Wotruba, terwijl hij een groot tegenstander van de dood was.
Schrijver, begin vorige eeuw, Nobelprijswinnaar zelfs.
Maar bon, dus Canetti slaat (of beter: sloeg) Wotruba in zijn atelier gade hoe deze aan een beeld uit graniet werkt, want dat was zijn lievelingsmateriaal. Lekker hard.
En volgens Canetti doet Wotruba een aanval op zijn materie, zo wreed en onvoorspelbaar als een roofdier. Als een pa nter om precies te zijn. En ja, ik herken me hier volledig in.
Tijdens het poetsen van de ramen.
Gewapend met in de linkerhand een gekreukeld stuk krantenpa pier, in de rechter een fles Glassex nader ik mijn vijand: de alleen bij bijzondere lichtinval achterbaks oplichtende strepen en striemen op mijn voor de rest reeds blinkende ramen.
Als een dier in de nacht sluip ik nader, met vaste focus op mijn offer, dat bij vermindering van de afstand en de hierdoor veranderde lichtinval alweer in onzichtbaarheid schuilt. Maar ik laat me niet kisten, ik wéét dat hij er is. En ik zet aan, ik spuit de dodelijke vloeistof erop en met genadeloze onverbiddelijkheid elimineer ik het euvel met mijn krantenkreukel.
Dan neem ik afstand, sluip om het schoon lijkende raam heen, ik zoek alle invalshoeken op, waakzaam, alert, op alles voorbereid en DAAR! Ik zie er nog een, een kleine, maar toch het uitzicht verpestende smerige striem, die hetzelfde lot te wachten staat als zijn zielige voorganger.
Diep in mijn keel grommend ga ik zo door, tijd speelt geen rol, ik ben een met mezelf, ik ga door tot mijn ramen schoon zijn, maar werkelijk schoon, schoner dan schoon, zo schoon dat het lijkt alsof er helemaal geen ramen meer zijn. Alsof je zo je hand uit kan steken naar de buitenl ucht en de takken voor mijn raam.
Maar terug naar Canetti.
Waarom om alles in de wereld zou je je tijd verdoen met schrijven als zelfs reuzen als hij een pa ar decennia later niet meer door de spellingscontrole heenkomen? Jezus. Even voor de zekerheid ingetypt. Kent de spellingscontrole ook niet. Nou dan, ik houd er over op.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten