Onderdeel uitmakend van een pulkachtige massa liet ik mij vooruitschuiven in de richting van AH, alwaar ik rechts afsloeg, de hectisch fladderende en onvoorspelbaar schijtende duiven ontwijkend door op mijn beurt hectisch en onvoorspelbaar heen en weer te springen, terwijl het merendeel van het opgewekte winkelpubliek rechtdoor dreef in richting – zo vrees en veronderstel ik – de Mediamarkt.
Waar zij de mooiste uren van de dag - ja van de week misschien! - tussen wasmachines, radiowekkers en een onvoorstelbare diversiteit aan witte kabels door zouden brengen.
Vlak voordat ik echter rechtsaf kon slaan zag ik iets merkwaardigs.
Een mannetje haastte zich als eenzame tegenligger naar zijn doel.
De stromende massa omzeilend manoeuvreerde hij op een smal paadje langs de winkelruiten. Het opvallende aan het mannetje was dat hij een hoge hoed droeg – oranje meen ik me te herinneren – waardoor hij iets weg had van een kermisklant. Op de hoed stond in grote letters: “Koos 101 jaar”. Het was niet alleen zijn licht euforische en op oneindig gerichte blik die op mij verstorend werkte. Of zijn mager figuurtje dat in vlot tempo, gelijk een opwindpop, met naar voren gebogen schoudertjes meer naar voren scheen te vallen dan te lopen. Het was vooral dat hij er alleen liep.
Waarom loopt iemand op zijn honderdeneerste verjaardag alleen op de Lijnbaan?
Heeft hij geen naasten,
vrienden, die hem op dit trotse moment kunnen begeleiden?
Geen omzichtig
verplegingspersoneel dat hem liefdevol maar vastberaden naar een geschiktere
locatie voor zijn - naar het mij scheen
zelfgeënsceneerde - triomfmars had kunnen begeleiden?
Het is misschien dat ik
mij niet voor kan stellen dat ik na een eeuw lang de stormen van het leven
getrotseerd te hebben, na misschien drie huwelijken gesloten en weer
opengebroken te hebben, na een aantal kinderen grootgebracht, deze vervolgens overleefd
te hebben, na in twee wereldoorlogen met of ook tegen de vijand gevochten te
hebben, na een in honderd jaar niet aflatende reeks aan fysieke kwaaltjes en
wellicht ook nare ziektes het hoofd geboden te hebben, dat ik dan vaststel dat ik nog steeds
kan lopen.
En dat ik dan besluit om dit op mijn
verjaardag te demonstreren uitgerekend te midden van een koopzieke, in niets anders dan in gadgets
en loempia’s geïnteresseerde anonieme massa en dat ik daarbij een hoed wil
dragen waarop voor iedereen zichtbaar mijn leven is samengevat in vier letters
en drie getallen.
Natuurlijk kan ik het mij überhaupt
niet voorstellen zo oud te zijn.
Laat staan dat ik kan
bedenken wat ik op een zo majestueuze verjaardag een waardige viering zou
vinden.
En sowieso – niets
projecteert zich zo makkelijk op een vreemde als eenzaamheid en sneuheid.
Want je kan omgekeerd
natuurlijk ook vragen:
Waarom zou Koos op zijn
honderdeneerste verjaardag niet alleen
op de Lijnbaan lopen?
Lekker gek, toch, die
Koos? Echt Koos, dat hij daar nu met zo een hoed op moet lopen.
Maar wat dan alsnog blijft hangen
is die blik.
Een beetje een...fanatieke blik.
Het kan best dat ik het inderhaast niet goed heb gezien.
Een beetje een...fanatieke blik.
Het kan best dat ik het inderhaast niet goed heb gezien.
Maar dit broze, stugge mannetje leefde in een illusie, al weet ik
niet precies wat die inhield.
Iets in de richting
van een betekenis die zijn lopen daar had.
Betekenis voor anderen
bedoel ik.
En daar raakte het vreemde
mannetje mij – los van hoe het nou met Koos precies zit, want daar kan ik
alleen maar naar gissen - in een diepe en hopelijk irreële angst:
Dat op een dag ik, een
van de oudste mensen der aarde, bij wijze van hoogtepunt van mijn leven, op de Lijnbaan loop.
Gevangen in de illusie
van mijn eigen betekenis.
En dat iedereen – loempia
kauwend, misschien een beetje jolig wijzend, maar er verder met grote zekerheid niet over
nadenkend - dat ziet.
Ik geloof ik zou op zijn
minst mijn achternaam op die hoed schrijven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten